Gardening in the global greenhouse



Inleiding

Weer en wind zijn onze dagelijkse metgezellen. Daarom luisteren we des te aandachtig naar het weerpraatje van Frank De Boosere. Als het geregend heeft, hoeft hij dat ons niet meer te vertellen. Onze werkkledij hangt immers nog uit te lekken in de oude schuur.  Vorstperiodes betekenen noodgedwongen vakantie en lange periodes van droogte voelen we in onze portefeuille door de vele liters flessenwater waaraan we ons laven. Om nog maar te zwijgen over het uitdrogen van een nieuwe aanplant… . Als het klimaat verandert, dan zitten wij tuinaannemers, op de eerste rij.


Foto: kaardebol in uitgedroogde gazon, zomer 2018

“Pantha rei” zei Heracleitos. “Alles vloeit” betekent dit vrij vertaald. Alles beweegt en niets blijft hetzelfde. Zo vergaat het ook ons klimaat. Dat is voortdurend in beweging en is doorheen de evolutie van onze planeet al verscheidene malen volledig omgeslagen. Nu staan we eveneens aan de vooravond van zo’n revolutionaire klimaatsomwenteling. Dit is onomkeerbaar en het is onomstotelijk bewezen dat dit zal gebeuren. Het is te zeggen: voor zij die de harde data onder ogen willen zien. Je kan ook zoals de president van de VS het American Climate Protection Agency muilkorven en doen alsof er niets aan de hand is. Maar dat het klimaat zal veranderen, dat staat vast. De enige maatregelen die onze wereldleiders (maar ook wijzelf) nog kunnen nemen, zullen maatregelen zijn die de impact van de klimaatverandering kunnen milderen of maatregelen om ons aan te passen aan de nieuwe situatie. Maar zelfs in de meest optimistische - en volgens sommigen - utopische scenario’s zal het klimaat zonder twijfel veranderen.


De invloed op de planten en bijgevolg het veranderen van de natuurlijke habitat waarin ze gedijen, zal een invloed hebben op de plantensoorten en plantenrelaties die we terugvinden in onze natuurtuin. Het onderzoek hiernaar en een mogelijke aanpassingsstrategie is het voorwerp van dit stuk.

In 1988 werd onder de vleugels van de Verenigde Naties (VN) het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) opgericht. Deze organisatie kreeg de taak om wetenschappelijk studiewerk te verrichten over de aard van de klimaatverandering en de impact ervan op de wereldbevolking. In de loop der jaren publiceerden zij verscheidene onrustbarende rapporten waarin het verband werd aangetoond tussen de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van het klimaat. Deze broeikasgassen absorberen infraroodstraling waardoor energie gevangen raakt in de lagere atmosfeer, een beetje te vergelijken met stockeren van energie in een serre of broeikas. Vandaar de naam. Uit onderstaande grafieken van het IPCC rapport “AR 5 Climate Change 2014- Summary for policy makers” blijkt er een duidelijke correlatie te bestaan tussen de uitstoot van antropogene broeikasgassen (veroorzaakt door de mens) en de stijging van de temperatuur op aarde. Wetenschappers toonden aan dat de atmosferische concentraties van CO2, methaan en nitraatoxide in de voorbije 800 000 jaar nog nooit zo hoog zijn geweest (IPCC 2014)!
                                                                      


Er zijn wetenschappers die beweren dat dit allemaal zever in pakses is. Ze erkennen weliswaar dat er een stijging van de uitstoot plaatsvindt, maar ze beweren dat er geen wetenschappelijk bewijs is voor het serre effect. Ik ben zelf geen wetenschapper dus dat mogen ze onder elkaar uitvechten maar mij lijkt het gezien de simultane stijging van de uitstoot met de temperatuur toch wel plausibel.

De stijging van de temperatuur en andere klimatologische veranderingen die hiermee gepaard gaan, hebben een grote invloed op de wezens die trachten te overleven op deze planeet zowel dier (en mens) als plant. De invloed op de planten en bijgevolg het veranderen van de natuurlijke habitat waarin ze gedijen, zal een invloed hebben op de plantensoorten en plantenrelaties die we terugvinden in onze natuurtuin. Het onderzoek hiernaar en een mogelijke aanpassingsstrategie is het voorwerp van dit stuk. Het IPCC heeft in haar laatste rapport immers benadrukt dat de meeste plantensoorten zich niet op een natuurlijke manier geografisch zullen kunnen verspreiden om zich aan te passen aan de verwachtte klimaatverandering. Vegetaties kunnen meebewegen met het klimaat, mits ze daarvoor de tijd krijgen. Ze bewegen zich via hun zaden, maar het kost veel tijd vooraleer een zaadje op een goede plek, weer een boom wordt. Als de opwarming te snel gaat, zullen planten en bomen uitsterven doordat ze niet meer op de juiste hoogte staan. Onderzoekleider Miles Silman vreest dat rond 2050 
22 tot 31% van de soorten planten en bomen zal zijn uitgestorven (Kolbert 2014).

Om te kunnen bekijken welke factoren een potentiële invloed kunnen hebben op het plantenbestand en om een lijst samen te stellen van sterke plantensoorten die de nieuwe uitgangssituatie zullen kunnen overleven, moeten we eerst gaan kijken op welke manier het klimaat gaat veranderen. Het staat vast dat de temperatuur stijgt sinds de 19e eeuw. Maar welk effect dit zal hebben op het klimaat is niet eenduidig. Wetenschappers voorspellen op mondiale schaal een stijging van het zeewater, langere periodes van droogte, langere periodes van intensieve regen, meer wind en stormen en de verspreiding van tropische ziektes. Elke regio zal op een andere manier getroffen worden en de regio’s waar zich vandaag reeds de grootste klimaatextremen voordoen, zullen nog harder getroffen worden dan de rest. Voor dit onderzoek ga ik niet inzoemen op de mondiale tendensen maar op de trends in het Atlantische gebied van de Palearctische zone. Meer specifiek nog: In Vlaanderen en Nederland.

Onderstaande kaart geeft de geografische omschrijving van dit Atlantische gebied weer, aangevuld met de prognoses van het klimaatrapport van het European Environmental Agency 2016. (Bron De Morgen 25.01.2016)

 
De feiten

Voor er een prognose gemaakt kan worden naar de toekomst toe, bekijken we eerst de meteorologische grafieken van het verleden aan de hand van een studie van het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België: “Oog voor het klimaat”. Eerst enkele feiten dus.



Uit deze grafiek kunnen we besluiten dat er een stijging is in de jaar- en seizoenstemperatuur vanaf de 19e eeuw. Merk hierbij extra op dat er een globale opwarming is van 2 graden Celcius over de beschouwde periode en dat de temperatuurstijgingen zich voordeden in 2 relatief abrupte etappen: rond 1910 en aan het einde van de jaren 1980. Het MIRA Klimaatrapport 2015 merkt ook op dat het aantal hittegolven sinds de jaren 1970 significant toeneemt.



Uit bovenstaande grafiek constateert men dat de laatste vorstdag steeds vroeger valt. Dit betekent dus dat de winter merkbaar korter wordt! Het zou ons te ver leiden om alle grafieken uit het rapport op te nemen maar uit gelijkaardige data blijkt dat de eerste vorstdag steeds later invalt en dat het aantal koudegolven steevast afneemt. Voor wat betreft de temperatuur kunnen we dus duidelijk concluderen dat ons klimaat stelselmatig opwarmt.

Voor wat betreft de neerslaghoeveelheid zijn de cijfers evenwel niet zo spectaculair als de voorgaande. De jaarlijks gecumuleerde neerslaghoeveelheden vertonen geen opmerkelijke stijging. Wel wordt er geconstateerd dat er een toename is van de neerslag in de winter en een lichte afname van de hoeveelheid sneeuw (Mira 2015). Verder werden er geen opmerkelijke conclusies getrokken die nuttig kunnen zijn bij ons onderzoek.

Dit is dus wat we weten: de temperatuur stijgt evenredig met de stijging van de hoeveelheid antropogene broeikasgassen en het regent al wat harder in de winter tov de 19e eeuw. De volgende stap is echter wat minder zuiver op de graat: we moeten een prognose maken aan de hand van wat wetenschappers verwachten wat de invloed zal zijn van de stijgende hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer op andere klimatologische factoren. Als het warmer wordt, verdampt er meer water uit zeeën, bladgroen van bomen ed (evapotranspiratie genoemd) waardoor er potentieel meer regen kan vallen. Waar die regen valt, is moeilijker te voorspellen. Indien de hoeveelheid regen in onze gebieden in de zomer gelijk zou blijven, kan er toch droogtestress optreden omdat door evapotranspiratie tgv van de toegenomen hitte het beschikbare water sneller verdampt zal zijn. Dit is dan ook een veronderstelling die ik meeneem in de ontwikkeling van de klimaatprognose.

Klimaatvoorspelling:

Onze vrienden van het IPCC hebben in 2013 hun “Fifth Assessment Report” opgesteld waarin ze 4 scenario’s uittekenen voor de mondiale broeikasgasemissies en dit voor een periode van 100 jaar. Het meest extreme scenario wordt gekenmerkt door het uitblijven van een klimaatbeleid en een continue stijging van de broeikasgasemissies. Hierin wordt een gemiddelde temperatuurstijging van 5.4 graden Celcius voorzien tov het jaar 1900. Het is echter niet onmogelijk dat dit meest extreme scenario werkelijkheid zal worden omdat de huidige mondiale emissies hier zich tot op heden bij aansluiten (MIRA 2015).

Het minst extreme scenario vertrekt van een drastische vermindering van de uitstoot waarin na een piekmoment het klimaat zich terug zou stabiliseren. Mijn mysantropische ingesteldheid op dit vlak is geen aangeboren aandoening maar eerder een gevolg van het aanschouwen van die ongelofelijke kloefkappers van hittentitten die onze wereldleiders toch zijn. Ik zal het anders zeggen: sceptisch ben ik tov hun daadkracht en dus de plausibiliteit van dit laatste scenario.

 Zonder alle waarden in detail te overlopen, kan ik samen met de wetenschappers concluderen dat de temperatuur in Vlaanderen en Nederland zal stijgen waardoor het in de zomer warmer en droger zal worden en in de winter warmer en natter

De mondiale scenario’s van het IPCC zijn echter ruimtelijk te grof om ze voor Vlaanderen te gebruiken. Daarom werden ze verfijnd en gereduceerd tot 3 modellen door enkele knappe koppen van de KU Leuven: lage emissies model, midden scenario en hoge emissies model. Door onze ambtenaren van de MIRA werden ze in een handige tabel gegoten.

Zonder alle waarden in detail te overlopen, kan ik samen met de wetenschappers concluderen dat de temperatuur in Vlaanderen en Nederland zal stijgen waardoor het in de zomer warmer en droger zal worden en in de winter warmer en natter. In welke mate dit zal voorvallen is niet te voorspellen maar ik durf toch aan de hand van de modellen te zeggen dat deze trend zich zal aanhouden. Er wordt ook veel gesproken over het smelten van het Noordpool ijs en het stilvallen van de golfstroom tgv van een grote toevoer aan zoet water. De meeste modellen gaan er van uit dat het ijs maar gedeeltelijk zou smelten waardoor dit slechts een gering effect zou hebben op het klimaat.




Gevolgen voor de beplanting

Deze voorspelling heeft ernstige gevolgen voor planten die zich in het wild in onze natuur bevinden. Ze zullen in de zomer immers geconfronteerd worden met hitte- en droogtestress en in de winter zullen ze bestand moeten zijn tegen natte voeten. Maar dat is nog niet alles. Er zullen zich nog een hele resem aan neveneffecten optekenen.

Onderstaande bevindingen komen uit een bevattelijke studie van de Britse Royal Horticultural Society genaamd "Gardening in the global greenhouse 2002”.

              
-Verlenging groeiseizoen:

Temperatuurveranderingen hebben het groeiseizoen nu al verlengd (zie hoger). Dit wil zeggen dat bomen vroeger botten en herfstverkleuring zich later inzet - dat de winter dus korter is geworden.

Hoera!

Hier tegenover staat dan weer dat zomerdroogte de bladverkleuring kan vervroegen op de droogste plaatsen. Dit hebben we in de zomer van 2018 reeds kunnen constateren. Ook dient er rekening mee gehouden te worden dat de vorst niet zomaar verdwenen zal zijn en de plotse terugval van negatieve temperaturen in de lente voor schade kunnen zorgen aan bloesems en reeds gekiemde of uitgeschoten planten. Ook hier kan de kanttekening gemaakt worden dat dit door de fruitboeren vervloekte fenomeen vandaag reeds bestaat maar dat dit dan enkel wat vroeger zal vallen waardoor het andere gewassen zal treffen. Dit betekent ook  dat de Ijsheiligen die in het volkse gebruik het einde van de vorstperiode aankondigen van 11 tot 14 mei, op verdiend pensioen mogen gaan. Het betekent eveneens dat het tuinseizoen een vroegere start zal nemen.

-Winterse rust:

Omdat de temperaturen in de winter hoger zullen zijn, zullen sommige planten blijven doorgroeien. Ze zullen weliswaar trager groeien onder invloed van het gebrekkige licht maar er zal zich zeker verhoogde activiteit optekenen. De verwachting is dat door deze zwakke groei de planten vatbaarder zullen zijn voor ziektes.

Een zachte winter zou ook kunnen betekenen dat het gras het ganse jaar door gemaaid zal moeten worden. Onder invloed van de verwachte hogere regenval, zal er bij winterse betreding van de grasmat met zware machines echter extra risico zijn op verdichten van de bodem - met alle gevolgen van dien voor de grasmat.

Het is trouwens ook niet zo dat omdat de plant in rust is tijdens de winter, dat hij daarom niet actief is. Dit is veelal een periode van grote interne activiteit. Sommige planten hebben dan ook een “koude vereiste” die nodig is voordat een plant in de lente terug in gang kan schieten. Is deze koudestoot niet aanwezig, dan kunnen bepaalde soorten problemen ondervinden met het botten van de bladeren en het ontwikkelen van bloesems. Appelbomen (Malus Domesticus) hebben hier bijvoorbeeld grote behoefte aan. Ook een aantal plantenzaden (zoals dat van Dipsacus fullonum- Kaardebol) en de meeste voorjaarsbollen eisen een vorstperiode alvorens de lente tegemoet te kunnen treden.

We blijven even stilstaan bij de gevalstudie van de Beuk (Fagus Sylvatica). Deze boomsoort heeft een hoge koudevereiste en dreigt hierdoor een van de eerste slachtoffers te worden van de klimaatverandering. De Beuk kenmerkt zich door pas heel laat in blad te schieten. Door een gebrek aan koudestoot verwacht men dat de Beuk nog later blad zal vormen (Battey 2000). Op zich is dit niet erg zou je denken maar een grote zwakte van de Beuk in dit verhaal is dat de schors aan zijn stam zeer gevoelig is voor direct zonlicht. Daarom mag je bijvoorbeeld nooit een grote tak van een Beuk afzagen waardoor de bast bloot komt te staan aan direct zonlicht. Indien het blad pas later op het jaar de stam zal kunnen beschermen tegen zonlicht, gecombineerd met hogere voorjaarstemperaturen, zou dit wel eens fataal kunnen zijn voor onze mooie Beukenbossen.  Studies tonen aan dat de groei van de beukenbomen in het Zoniënwoud stokt sinds de jaren 1970. Beuken voelen zich thuis in een koelgematigd klimaat en hebben nu al last van de periodieke hittegolven en droogtes. Men tracht dit enigszins op te vangen door aan dynamisch bosbeheer te doen en meer robuustere soorten zoals Wintereik (Quercus Petrea) en Berk (Betulus) aan te planten.  (Zicht op Zoniën 2016)

Voor ons ecosysteem is een zachte winter dus allesbehalve een hoera-verhaal. Om nog maar te zwijgen over de virussen, parasieten, schimmels, insecten en ander ongedierte die meer kansen zullen zien om de winter te overleven.

-Verzilting van de bodem:

Een hoger zeeniveau gecombineerd met forsere wind kan verzilting van de bodem veroorzaken verder landinwaarts aan de kust. Het oppompen van grondwater door landbouwers in de kuststreken versnelt dit proces omdat de opgebruikte grondtafel wordt aangevuld met zilt zeewater. Een bijzondere combinatie van zout tolerante planten kan (moet) dus verder landinwaarts toegepast worden.

Achillea millefolium (Duizendblad)
Dianthus deltoides (Steenanjer)
Armeria maritima (Engels gras)
Dianthus gratianopolitanus (Rotsanjer)
Artemisia sp. (Alsem)
Festuca ovina (Genaald schapengras)
Linaria vulgaris  (Vlasbekje)
Aster ageratoides‘Asran’ (Aster)
Calamagrostis x acutiflora‘Karl Foerster’
Pennisetum alopecuroides
Centaurea jacea
Perovskia ’Blue Spire’
Deschampsia cespitosa (Ruwe smele)
Salvia pratensis (Veldsalie)
Dianthus carthusianorum (Karthuizer anjer)
Silene nutans (Nachtsilene)

Plantenlijst Vademecum harmonisch park en groenbeheer -Agentschap Natuur en Bos

-Sterkere groei van planten:

Hogere hoeveelheden CO2 in de lucht zorgen dat de fotosynthese in planten gunstig wordt beïnvloed waardoor de planten sterker zullen groeien. Deze techniek wordt reeds toegepast bij de kweek van landbouwgewassen in serres wat resulteert in een grotere opbrengst.  Vroeger werden kachels gebruikt in serres waarvan de uitlaatgassen rechtstreeks in de kweekruimte terecht kwamen. Men ontdekte dat de planten hierdoor extra gingen groeien.  Door toevoeging van CO2 kunnen planten ook beter water opnemen, wat ze steviger en gezonder maakt en beter bestand tegen ziektes.
Dit kan zeker een gunstig effect hebben op de planten in de tuin. De verwachting is evenwel dat het onkruid ook sneller zal gaan groeien en in veel gevallen sneller dan het aangeplante plantsoen (zoals dit ook vandaag al het geval is). Recent onderzoek toont aan dat eens een bepaald CO2 niveau bereikt is, er geen substantiële toename van plantengroei meer te bespeuren valt. Volgens Andries Temme, systeemecoloog aan de universiteit van Amsterdam is dit saturatiepunt momenteel al bereikt en worden factoren als water en temperatuur belangrijker voor de groei. Dit zijn net 2 factoren die ongunstig dreigen te evolueren (Temme 2016).

-Waterhuishouding:

Er zijn heel veel mooie planten die goed bestand zijn tegen droogtestress. Er zijn er evenzeer heel mooie die graag met hun voetjes in het nat staan. Moeilijker wordt het als je deze 2 criteria dient te combineren. Als bijvoorbeeld een plant als Lavendel (Lavandula) een tijdje te nat staat, zal het snel gedaan zijn met heerlijk te geuren.

Het wil echter niet zeggen dat grotere kans op neerslag automatisch waterzieke gronden zal veroorzaken. Op lichte zandgronden zal dit geen bijkomend probleem vormen indien het water goed kan weg draineren. Het zou in tegendeel juist een voordeel kunnen zijn voor die gebieden. Denk maar aan de Kempense zandgronden. Zo kunnen planten langer profiteren van een beschikbare watertafel.

Grotere neerslag zal enkel tot problemen leiden indien de grond volledig verzadigd geraakt met water. Voor sommige planten heeft dit geen gevolgen, voor andere planten kan dit al na 1 dag fataal zijn. Als de plant niet de juiste mechanismen om hiermee om te gaan heeft ontwikkeld, zorgt dit er namelijk voor dat de plant geen zuurstof meer kan opnemen. De plant kan hierdoor geen nutriënten meer opnemen en begint gebreksverschijnselen te tonen waardoor het lijkt of hij net te weinig water heeft gekregen. Uiteindelijk draait het metabolisme van de plant zich om waardoor hij zichzelf vergiftigt en afsterft.
Een bijkomend effect kan zijn dat door de mildere winter, de plant langer intern actief zal blijven en een hogere zuurstofbehoefte dan vandaag zal ontwikkelen. Hierdoor zullen sommige planten net nog minder bestand zijn tegen winterse nattigheid.

-Ziektes en plagen:

Niet enkel zullen er vieze ziektes en gevaarlijke virussen onze contreien bereiken die de mens zullen ambeteren, ook de planten zullen hiermee te kampen krijgen. Warmere en nattere winters zullen bijvoorbeeld de phytophtora (dit is de gevreesde aardappel en tomatenziekte) meer gelegenheid geven om te woekeren. Vrij vertaald uit het Grieks betekent phytophtora “de plantenvernietiger”. Dat voorspelt alvast weinig goeds voor de tomaten in mijn serre.

Ook wordt verwacht dat valse en echte meeldauw alsook roest een opmars zullen kennen. Natte, mildere winters en zeker gevolgd door een nat voorjaar zullen ware slakkenplagen voortbrengen die op één nacht tijd de hele jonge aanplant kunnen vernielen of sterk verzwakken zodat hun groei  een achterstand kent en ze verzwakt het seizoen ingaan. Er zullen tevens quarantaine maatregelen getroffen moeten worden om noordwaarts migrerende ziekten en plagen te verhinderen.

-Bodemerosie:

Ten gevolge van hardere en overvloedige regen zullen niet bedekte bodems gebukt gaan onder uitspoeling van nutriënten en dus langzaamaan eroderen. Een paar hete zomermaanden maken het werk verder af en zetten het desertificatieproces voort.

Vergelijking met andere klimaatzones?

Om een beeld te proberen krijgen van hoe ons klimaat er uit zal zien, zijn we naar klimaatzones op aarde gaan kijken die vandaag ongeveer voldoen aan de prognoses van het IPCC. Het is immers interessant om te bestuderen hoe de planten in die gegeven situatie zich hebben aangepast en te bekijken of we er lessen uit kunnen trekken voor onze eigen toekomstige regio. Aan de hand van de klimaatzones van Köppen (genoemd naar een Duitse geleerde) heb ik een hoop regio’s kunnen uitsluiten wegens, te nat in de zomer, te droog in de winter, te koud ed. Ik heb getwijfeld over de steppe vlaktes maar daar is het te koud en te droog in de winter. De planten van de steppes zijn bij ons trouwens al vrij goed ingeburgerd. Denk maar aan de prairietuinen. Uiteindelijk kwam ik terecht bij de savanne en sommige mediterrane streken.

De Savannetuin?

Nat en droog

Laten we maar direct met het meest extreme scenario beginnen. Als we er van uit gaan dat het “doomsday model” van het IPCC tegen 2080 bewaarheid wordt, dan komen we in onze vlakke regio misschien wel in een subtropisch savanneklimaat terecht. Laat ons hopen van niet maar laten we toch eens kijken hoe dit er dan uit zal zien.

In de Serengeti savanne bepaalt de regenval het ritme van de seizoenen. Er zijn twee natte en twee droge tijden per jaar. Ze wisselen elkaar af en duren niet allemaal even lang.
Als de regen komt, krijgt de Afrikaanse savanne een opfrisbeurt. De grassen en bomen worden weer groen en voedzaam voor de planteneters. Het is een tijd van overvloed. De droge tijden zijn moeilijker om te overleven, vooral als de regenperiode later komt dan gewoonlijk. Zoals je kan zien in onderstaande grafiek is het de ganse tijd “vrij” warm in de Serengeti savanne en kent de zone een droogte- en regenpiek.


Lange en korte regentijd

De regentijd is opgesplitst in twee perioden: de lange regentijd duurt van maart tot en met mei, de korte regentijd valt in november en december.
De lange regentijd komt altijd, maar de korte regentijd slaat weleens een keertje over. Dan lopen de twee droge seizoenen in elkaar over en hebben de bewoners van de Serengeti het zeer moeilijk. Vooral bomen hebben last van extra lange droogte. De gemiddelde hoeveelheid neerslag in de Serengeti is 600 tot 800 mm per jaar. Dat is ongeveer evenveel als in België vandaag, maar die regen valt in de Savanne wel in een kortere periode waardoor er tijdelijke watersaturatie ontstaat.

Vochtige savanne
Droge savanne
Doornstruiksavanne
Voorkomen
Afrika, Azië, Australië, India, Zuid-Amerika
Afrika, Azië, Australië
Afrika, Azië, Mexico, Zuid-Amerika
Klimaat
7-8 maanden met neerslag
4,5–7 maanden met neerslag
2-4 maanden met neerslag
Gemiddelde jaarlijkse neerslag
1000–1500 mm
500–1000 mm
250–500 mm
Plantengroei
Het hele jaar door tot 3 m hoge groene grassen
Open bos van de vochtige savanne, galeriebossen langs de rivieren
Akkerbouw zonder irrigatie
Borsthoge grassen, verspreide bomen
Tot 30 cm hoge grassen, doornig struikgewas


Veel planten die in de savanne groeien zijn aangepast aan een zogenaamd 'vuurseizoen'. Deze vegetatie noemt men de dan ook de “brandclimaxvegetatie”. Door periodieke branden verhindert de savanne dat ze in bos verandert. Vlak voor de branden of juist erna worden vruchten gevormd die voedsel bieden aan de kiemplanten die na de brand opkomen.

Savanne bestaat voornamelijk uit gras met hier en daar een boompje. Miscanthus Sinensis 'Giganteus' oftewel olifantengras is een opmerkelijke grassoort van de vochtige savanne. Het heeft een zeer hoge biomassaproductie en wordt tot 3 meter hoog afhankelijk van de vochtigheid. Het kan dus goed gebruikt worden als veevoer of als energiegewas voor het produceren van duurzame energie. De stevige wortels verhinderen daarnaast erosie van de bodem. Dit is gezien de gevolgen van de klimaatverandering ook heel belangrijk.
Een kleinere variant van de Miscantus Sinensis (dat ook Prachtriet wordt genoemd) wordt in onze regio al vrij veel gebruikt in de siertuinen omwille van het mooie herfstsilhouet. Hiervan zijn reeds vele cultivars veredeld en in gebruik.

Het is echter ten sterkste aan te raden niet lichtzinning om te gaan met de introductie van exoten. In de Verenigde Staten vond men het blijkbaar nuttig om rond 1942 het Gambagras (Andropogon Gayanus) te introduceren. Vanaf 1983 werd het op grote schaal aangeplant als veevoeder. Ondertussen is de soort zo aan het woekeren geslaan, dat ze in Queensland door de Biosecurity Act van 2014 als invasieve soort werd verboden.

Gamba gras

Mediterrane regio?

Het is niet mogelijk om simpelweg een 1000 tal kilometer naar het zuiden te rijden en daar naar de vegetatie te kijken omdat het heel moeilijk is om gebieden te vinden die aan de criteria voldoen. De meeste mediterrane regio’s hebben wel een droogtepiek in de zomer maar geen overvloedige regen in de winter. En dat is nu net de uitdaging.
Toch hebben we aan de hand van het winterse water en zomerse droogte criterium enkele gebieden kunnen selecteren die de moeite waard zijn om naderbij te bekijken: Nice (Frankrijk), Genua (Italië), Ajaccio (Corsica- Frankrijk) en Zakynthos (Griekenland).

De eerste belangrijke vaststelling is dat deze gebieden allemaal een beduidend hoger neerslag gemiddelde kennen dan wat we vandaag in Brussel kunnen opmeten. Door de hogere temperatuur verdampt er wel meer water dan bij ons maar dit effect zal ook in Brussel gaan spelen als de temperatuur verder stijgt.
Een andere bedenking is dat deze gebieden  veelal rots- en bergachtig zijn waardoor het water snel afvloeit naar de vruchtbare valleien. Het is in deze valleien dat we moeten gaan kijken naar de planten die er in de lente hun snuitje laten zien. Bijkomend probleem is wel dat deze gebieden een overwegend  kalkrijke bodem hebben terwijl onze zandgronden eerder een zurige ph- waarde hebben. 

Hieronder kan je de tabellen vinden met de gemiddelde temperatuur en  neerslag van Brussel, Genua, Nice, Ajaccio en Zakynthos. Stuk voor stuk gebieden die ik in naam van de wetenschap gerust een paar keer per jaar wil gaan bezoeken om er veldonderzoek te verrichten.









Klimaatadaptatie en mitigatie- Wat zijn dat voor beesten?

Klimaatadaptatie en mitigatie zijn termen die worden gebruikt in het politieke beleid rond klimaatsverandering. Bij adaptatie gaan de politici er van uit dat de klimaatverandering zich sowieso zal doorzetten en we ons allemaal zullen moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Je kan het gerust cynisch noemen dat politici hiermee hun eigen falen te kennen geven. Het zijn immers zij die als enigen gemachtigd zijn om bindende maatregelen uit te vaardigen zodat we niet hoeven te zwaaien met termen als “klimaatadaptatie”. 

Weinig verrassend zal het voor velen zijn als ik tot de conclusie kom dat een natuurtuin de meest geschikte tuinvorm is om de uitdagingen van de toekomst het hoofd te bieden.

Onder mitigatie wordt verstaand: “het geheel van maatregelen dat de klimaatverandering op zich en de gevolgen ervan tracht te verzachten”. In dit hoofdstuk wordt onderzocht hoe een tuinman in zijn dagelijkse praktijk om zal moeten gaan met de veranderingen van het weer.

Het is misschien belachelijk maar ik kan niet anders dan te beginnen met de conclusie. En weinig verrassend zal het voor velen zijn als ik tot de conclusie kom dat een natuurtuin de meest geschikte tuinvorm is om de uitdagingen van de toekomst het hoofd te bieden. Een natuurtuin wordt beplant met sterke planten die aangepast zijn aan de bodem en het klimaat (vandaag en in de toekomst). Een natuurtuin geeft ruimte aan aanwaaiers en zaailingen zodat de natuur zelf haar weg kan zoeken en de meest aangepaste soorten de overhand kunnen nemen. In een natuurtuin wordt de natuur door de tuinman begeleidt naar een nieuw evenwicht.

Het uitgangspunt van een natuurtuin is - zoals herhaaldelijk aangehaald – het uitkiezen van planten in functie van de bodemsoort. Omdat de extremen extremer zullen worden waardoor de droge zandgronden nog droger zullen worden en de waterzieke, lager gelegen kleigronden nog natter, zal er in deze gevallen een ingreep in de bodem plaats moeten vinden om het aspect tuin toch nog enigszins te bewaren.
Je zal in de waterzieke gronden bijvoorbeeld grond moeten aanvoeren om het maaiveld op te hogen, drainage systemen met buizen of greppels aanleggen en granulaten of/ en compost in de grond moeten verwerken om de drainage te bevorderen. Deze adaptatiemaatregelen zijn zeer arbeidsintensief en zeer kostelijk. Mijn advies is om hier heel omzichtig mee om te gaan en zeker niet te overdrijven. Ook mag je er geen wonderen van verwachten. Een drainagesysteem bijvoorbeeld waarbij drainagebuizen met grind verticaal in de grond worden aangebracht werkt misschien enkele jaren maar geraakt na verloop van tijd toch terug verstopt waardoor het zijn functie verliest.
De meeste tuinbezitters wensen een mooi gazonnetje in het centrale deel van de tuin. Dit is te begrijpen want het zorgt voor een mooi, groen wijds zichtveld. Ook gezinnen met kinderen verkiezen dit om mogelijkheid te geven om de pagadders goed te laten ravotten in een gecontroleerde omgeving. Desgevallend dienen voornoemde maatregelen toegepast te worden indien je op deze bodem een biljartlaken wil aanleggen.
Als je dan van de rest van je tuin een natuurtuin wil maken dien je de plantenborders en de achterste zone van je tuin op een natuurlijke manier te laten begroeien. Je kiest dan voor droge moerasplanten en legt een pad aan met gemalen baksteen en grind of kastanje vlonderplanken.
In het meest extreme geval zal je waterbuffers moeten aanleggen in je tuin en stukken dieper uitgraven als natuurlijke infiltratiezone. Daarbij goed beseffend dat deze buffers in de winter veelal tot op het maaiveld gevuld zullen zijn met water. 
Mits een goede architecturale aanpak, zal je echter volop kunnen genieten van een heerlijk stukje biodiversiteit dat zich in en rond deze waterkant zal afspelen in jouw tuin. 

...wordt vervolgd...

Populaire posts

Het Lot is als dat herfstblad;
Dat wispelturig in de wind weg waait;
En hoe meer gij tracht er naar te grijpen;
Hoe meer dat gij er nevenst,
Graait.

S.D.